Wat is autisme ?

Het woord autisme is afgeleid van het Griekse "autos", wat "zelf" betekend. Voor mensen die minder goed bekend zijn met autisme volgt hier een kleine uitleg, beperkt tot de meest essentiële punten.
Meer dan 10.000 Vlamingen hebben autisme, ongeveer 2.500 ervan zijn jonger dan 20 jaar. Vier op de vijf zijn jongens. Personen met autisme zien er uiterlijk normaal uit.

Historiek

Het lijkt waarschijnlijk dat er al altijd autistische kinderen geweest zijn, ook al worden zij pas de laatste dertig jaar als categorie erkend en afzonderlijk van andere geestelijke gehandicapte kinderen beschouwd.
Mogelijk waren zij de oorsprong van de legenden over de zogenaamde wisselkinderen; hierin zou volgens de overlevering, een fee een menselijke baby stelen en daarvoor in de plaats een feeënkind achterlaten. In sommige verhalen was het wisselkind opvallend mooi, maar tegelijkertijd eigenaardig en van het mensdom afgezonderd. Vandaar dat kinderen met autisme vaak elfenkinderen genoemd worden.

Diagnose

Het was Dr. Leo Kanner die in 1943 in Amerika deze kinderen als een aparte categorie beschreef, ongeveer tegelijkertijd beschreef ook een zekere Dr. Hans Asperger een groep van kinderen met dergelijk gedrag in Oostenrijk. Het verschil tussen de twee groepen bestond erin dat de groep van Kanner bestond uit minder begaafde personen, die bijna allemaal beschikten over een laag IQ (tot max. 70). De groep van Hans Asperger bestond uit personen met dezelfde stoornissen maar deze waren meestal beter tot normaal begaafd. Nu nog maakt men onderscheid tussen deze twee groepen.

De diagnose autisme wordt toegekend aan kinderen die van jongsaf alle kenmerken vertonen van autisme en die een grote taalachterstand hebben of helemaal in zichzelf gekeerd zijn. Ook sommige van deze kinderen beschikken over een normale tot hoge intellegentie.

De diagnose Asperger wordt momenteel gebruikt om kinderen te diagnosticeren die binnen het Autismespectrum vallen maar die nooit een taalachterstand hebben gehad of zelfs heel taalvaardig zijn, en bovendien over een normale tot hoge intellegentie beschikken.

De diagnose Pdd-nos stelt men meestal als men bij een kind vermoedt dat er verwijzingen zijn naar autistische kenmerken, maar deze niet voldoende duidelijk zijn om de diagnose autisme of asperger te stellen. Men spreekt hier dan ook over "een niet nader omschreven ontwikkelingsstoornis".

Kenmerken

Mensen met autisme hebben in de eerste plaats moeite met sociale contacten. Autisme wordt om die reden dan ook wel een contactstoornis genoemd. Mensen met autisme hebben moeite met het begrijpen van wat de ander wil, maar ook met met het begrijpen van wat van hen verwacht wordt. Dit kunnen eenvoudige opdrachten of wensen zijn, maar ook meer subtiele wensen of verwachtingen. Iemand met autisme maakt dan ook een sociaal onhandige indruk.

Autisme houdt overigens beslist niet altijd in dat contact met anderen wordt vermeden of afgewezen. Mensen met autisme hebben juist een sterke behoefte aan contact, maar weten dit niet in de juiste vorm te gieten of te doseren.

In de tweede plaats is bij mensen met autisme sprake van moeilijkheden op het gebied van communicatie. De taalontwikkeling is meestal vertraagd, anderen praten juist heel veel, maar vallen op door hun woordkeuze, intonatie en herhalingen. Het lukt de meesten niet hun gevoelens onder woorden te brengen.

In de derde plaats hebben veel mensen met autisme moeite met het aanvaarden van veranderingen. Zij vertonen repetitief gedrag en hebben meestal eenzijdige interesses. Ook hebben zij een beperkt voorstellingsvermogen en kunnen meestal geen onderscheid maken tussen fantasie en werkelijkheid.

Autisme gaat ook meestal samen met motorische onhandigheid en onlogische angsten. Soms wordt dit verkeerd ingeschat door artsen en hulpverleners "je kind is enkel angstig, zeker niet autistisch" Sommigen van hen beschikken ook over een fantastisch geheugen en slagen er hierdoor in hun handicap te verbergen voor anderen.

Beeldvorming

Het autistische beeld is het duidelijkst herkenbaar tussen het derde en zesde levensjaar. Daarna raakt het beeld enigzins vervaagd door datgene wat het kind heeft aangeleerd en afgeleerd.
Kinderen die vóór het vijfde levensjaar spreken ontwikkelen zich meestal gunstiger vooral in combinatie met een redelijke intelligentie.
Naarmate het kind ouder wordt, worden bepaalde verschijnselen manifester. De relatiestoornis openbaart zich niet alleen in de omgang ouder-kind, maar nu ook in relatie tot broers, zusjes en andere kinderen en personen.
Als het kind gaat spreken openbaren zich vreemde verschijnselen zoals echolalie, verwisseling van persoonlijke voornaamwoorden, robotachtig taalgebruik en obsessieve gerichtheid op één thema. De motoriek vertoont eveneens een aantal eigenaardigheden. Het kind maakt een uiterst onhandige, houterige indruk. Hij is echter in staat tot miniscule vaardigheden als de activiteit hem boeit.
Autistische kinderen vertonen verschillende stereotype bewegingspatronen zoals bijv. flapperen met de handen, heen en weer wiegen of op de tenen lopen. Ieder kind heeft zijn eigen patroon en kan deze bewegingen eindeloos herhalen.

Besluit

 

Het stellen van een diagnose is zeker geen eenvoudige zaak. Toch is het onstellend te moeten vaststellen dat heel weinig artsen, hulpverleners en zelfs neurologen en psychiaters het probleem niet herkennen wanneer ze er mee geconfronteerd worden.
Hoewel autisme nog steeds ongeneeslijk is en de diagnose dus met grote zorg moet worden gesteld, verlangen de meeste ouders zekerheid voor wat betreft de problematiek van hun kind. Het laat hen toe aan het verwerkingsproces te beginnen en geeft hen een beter inzicht in de noden van dit kind.