1. Het ligt aan de ouders
De ouders zijn koel of overbeschermend of symbiotisch. Of er schort in ieder geval iets aan de interacties ouders-kind. Vooral het karakter van de moeder is niet O.K. Of het kind heeft in zijn prille jaren te veel stress gekend: geboorte van een broer of zus, scheiding van de ouders, depressie bij een ouder… Die visie werd in zijn extreemste vorm verwoord door Bettelheim
Antwoord.
Naast de wetenschappelijke studies zijn er een hoop voor de hand liggende feiten die deze opvatting tegenspreken: vele ouders van autistische kinderen hebben een karakter dat helemaal niet past in het geschetste patroon, ouders met een karakter dat daar wel in past hebben haast onveranderlijk normale kinderen; een autistisch kind gedraagt zich in feite al vanaf de geboorte ongewoon.Er wordt overal een verhouding van 4 jongens tegenover 1 meisje vastgesteld, kinderen met een bekende hersenbeschadiging vertonen nogal eens een gedrag dat zeer op autisme lijkt. De symptomen zijn te uniek en te specifiek om door milieu-invloeden veroorzaakt te zijn, ouders met een autistisch kind hebben ook gewone kinderen…. Men mag daarenboven niet vergeten dat een relatie wederzijds is. "Normaal" moedergedrag bijvoorbeeld is voor een groot deel antwoord op "normaal" babygedrag.
Neem daar ook nog bij dat de deskundigen jarenlang tegenstrijdige standpunten hebben ingenomen om het autistisch gedrag te interpreteren en het is volkomen begrijpelijk dat ouders nu eens overbeschermend en dan weer overmatig streng optraden. Een pijnlijke vaststelling in dat verband is dat de eerste ouderverenigingen pas ontstonden, nadat de eerste indicaties voor een organische oorzaak ernstig werden genomen (Dr. B. Rimland in de VSA). Voordien durfden de ouders niet in het openbaar opkomen voor kinderen die ze zogezegd zelf ziek hadden gemaakt.
2. Een privilege van geprivilegieerden.
Kanner schreef zelf dat de ouders van zijn autistische patiëntjes allemaal wel in "Who is who in America ?" leken te staan. En die vaststelling was natuurlijk voer voor de psychogene theorie, die, zoals gezegd, de schuld graag legt bij het ouderlijk gedrag.
Antwoord.
Epidemiologisch onderzoek heeft inmiddels uitgemaakt dat autisme in alle lagen van de bevolking voorkomt. Kanners observatie moet een gevolg van "selectie" geweest zijn, ouders uit hogere sociale klassen zijn vlugger gealarmeerd, willen meer afstand afleggen voor een behandeling en komen gemakkelijker in contact met experimentele therapeutische programma’s. Of bouder gezegd: in die tijd vonden minder ontwikkelde en minder gegoede ouders van autistische kinderen de weg naar een beroemde (dure ?) kinderpsychiater als Kanner niet. De geschiedenis heeft zich trouwen herhaald. Het bekendste en ongetwijfeld meest vooruitstrevende centrum voor de behandeling van autistische kinderen namelijk "TEACCH" in North Carolina (USA), recruteerde zijn cliënteel aanvankelijk ook uit hogere sociale kringen. Maar inmiddels is het een gesubsidieerde staatsinstelling geworden. En nu het voor iedereen toegankelijk is, is de klassetrend verdwenen.
3. Autistische kinderen zijn zeer begaafd.
Dat dacht men vooral in de jaren 40 en 50. Ze zagen er dikwijls niet zo dom uit. Hadden vaak ook heel mooie, ongewoon symmetrische gezichten. En daar bovenop constateerde men soms fantastische vaardigheden: een grote bedrevenheid in puzzelen, een fenomenaal geheugen voor details (zich ondermeer uitend in echolalisch taalgebruik en het herkennen of reproduceren van muziek), een sterke oriëntatiezin. Men geloofde zelfs in een bijzondere artistieke aanleg. Kortom in het autistisch kind zat een genie verborgen. Het kwam er slechts op aan de magische sleutel te vinden om het van zijn autistische bolster te ontdoen.
Antwoord.
Men weet nu dat 80% van de autistische kinderen een IQ beneden de 70 hebben. Qua intelligentie zijn ze dus in de regel sub- i.p.v. supranormaal. De speculaties over bijzondere gaven spruiten voort uit het waarnemen van zogenoemde splintervaardigheden. Puzzelen en ruimtelijke oriëntatie zijn activiteiten die waarschijnlijk overwegend in de - niet of minder getroffen - rechter hersenhemisfeer geïntegreerd worden. En het opslaan van details is ongetwijfeld - alvast ten dele - een compensatiefenomeen, omdat de zin voor samenhang, die waarschijnlijk in de linker hersenhemisfeer geïntegreerd wordt, ontbreekt of zwak is.
4. Een soort kinderschizofrenie.
Sinds Bleuler is autisme een basissymptoom van schizofrenie. De term staat voor: zich actief terugtrekken uit de uiterlijke werkelijkheid om te gaan leven in de innerlijke wereld van de fantasie. Het lag dus voor de hand dat Kanners "vroegkinderlijk autisme" toch min of meer als "vroegkinderlijk schizofrenie" verstaan zou worden. De verwarring wordt weerspiegeld in het vroegere taalgebruik van kinderpsychiaters die termens als: "kinderpsychose", "vroegkinderlijk autisme", "vroege kinderschizofrenie", "symbiotische psychose" en "autisme" door elkaar gebruikten, alsof het om verwisselbare diagnoses ging.
Antwoord.
Het kinderautisme is in vele opzichten anders dan het autisme van de schizofrenie: er is geen actieve terugtrekking uit het sociale leven, maar een falen om sociale relaties te ontwikkelen; het fantasieleven is niet rijk, maar juist bijzonder arm. Er is geen episodisch verloop met verbetering en terugval, zoals bij schizofrenie en het komt zelden tot de andere symtomen van schizofrenie, meer bepaald waandenkbeelden en hallucinaties. De verschuiving in het denken rond autisme vindt men weerspiegeld in de naamverandering van het leidende internationale tijdschrift. Vroeger "Journal of Autism and Childhood Schizophrenia" nu "Journal of Autism and Developmental Disorders". En DSM III R die alle psychische en mentale stoornissen poogt te rubriceren brengt kinderautisme onder bij "pervasive developmental disorders" terwijl kinderschizofrenie gewoon bij schizofrenie ingelijfd wordt.
5. Autistische kinderen zijn ontestbaar.
Men krijgt er niets uit, ze werken niet mee, ze zijn koppig…
Antwoord.
Dergelijke beweringen zijn overblijsels uit de tijd dat men de mogelijkheden van autistische kinderen schromelijk overschatte en hen dan ook op een veel te hoog niveau benaderde. "Ontestbaar" zegt in feite meer over de tester dan over de geteste. Autistische kinderen werken best mee, op voorwaarde dat de taken eenvoudig en concreet zijn en dat de opgave begrepen is. Niet meewerken is geen kwestie van onwil, maar van onkunde. Zo ziet men concrete oefeningen, bijvoorbeeld puzzelen oplossen, vlot verlopen, terwijl abstractere oefeningen, spelen met de taal bijvoorbeeld, gedragsmoeilijkheden uitlokken. Inmiddels zijn ten behoeve van autistische kinderen speciale tests geïntroduceerd. Een ervan - en wellicht de belangrijkste - is de PEP of het Psychologisch Educatief Profiel.