Ziekte waarbij regelmatig aanvallen optreden van abnormale elektrische ontladingen van de hersencellen, resulterend in een toeval (insult). Epilepsie kan aangeboren zijn en geen aantoonbare oorzaak hebben. Verworven epilepsie kan na hersenbeschadiging ontstaan, bijvoorbeeld na een geboorteletsel, na een ernstige hersenschudding of als gevolg van doorbloedingsstoornissen (beroerte). Andere oorzaken voor epilepsie zijn prikkeling door een hersengezwel of door een hersenontsteking. Epilepsie komt ook voor bij zwakbegaafde kinderen met autisme.
Er zijn verschillende wijzen waarop epilepsie zich kan uiten. Soms zijn de verschijnselen voor de patiënt en voor de omgeving nauwelijks merkbaar, in andere gevallen treden aanvallen op die zelfs zouden kunnen leiden tot een ernstig hersenletsel. Gelukkig zijn dergelijke aanvallen veelal met behulp van medicijnen goed te bestrijden en ook te voorkomen.
De meest bekende en dramatische epileptische aanval is de gegeneraliseerde toeval (grand mal). Hierbij worden plotseling alle hersencellen door de elektrische ontladingen geprikkeld. Aan zo’n aanval gaat vaak een vreemd gevoel van onwel zijn vooraf. Bij de aanval zelf verliest de patiënt het bewustzijn en ontstaat een algehele verkramping van het lichaam.
Hierbij kan een tongbeet voorkomen. Na enkele seconden ontstaan steeds heftiger spierschokken. De ogen staan vaak open en zijn weggedraaid. Er is nogal eens incontinentie voor urine. Omdat de ademhaling even stokt door de kramp, wordt de patiënt eerst rood en daarna blauw. Dan volgt een blazende ademhaling met schuim op de mond.
Na de spiertrekkingen volgt een tot 15 minuten durende bewusteloosheid, waaruit de patiënt vaak in een verwarde toestand ontwaakt. Dergelijke aanvallen kunnen elkaar soms voortdurend opvolgen, zodat het bewustzijn tussendoor in het geheel niet meer helder wordt (status epilepticus). Dit is een gevaarlijke toestand, omdat door zuurstofgebrek hersenbeschadiging kan optreden.
Minder uitgebreide aanvallen zijn die welke veroorzaakt worden door plaatselijke elektrische ontladingen, de zogenoemde focale epilepsie. Deze beginnen vaak met bijvoorbeeld een vreemd gevoel in de buik, een reuk- of smaakhallucinatie of bijvoorbeeld een spraakstoornis (afasie). Daarna wordt de patiënt afwezig en gaat smakken, kauwen of een eenvoudige handeling uitvoeren. Deze aanvallen duren minuten tot een kwartier. Soms vertoont de patiënt tijdens de aanval voor hem vreemd, agressief gedrag.
Een ander soort plaatselijke aanval is die waarbij tintelingen ontstaan in bijvoorbeeld de hand, die zich van daaruit over de gehele lichaamshelft verspreiden. Soms ontstaat daarna bewustzijnsverlies. Zo kunnen ook plaatselijk spierschokken voorkomen.
Epilepsie bij kinderen
Bij kinderen komt epilepsie op een andere manier tot uiting dan bij volwassenen, omdat de hersenen onvoldoende gerijpt zijn. Het belangrijkst bij kinderen zijn de zogeheten absences. Dit zijn gegeneraliseerde aanvallen die optreden tussen 4 en 12 jaar. Er zijn kortdurende bewustzijnsdalingen waarbij het kind een wazige uitdruking heeft met spierschokjes rond mond en oogleden.
Daarna gaat het kind verder met z’n bezigheden. Deze aanvalletjes kunnen vele malen per dag voorkomen. Het lijkt dan of het kind zit te dagdromen. Na de puberteit kunnen de aanvallen zonder restverschijnselen spontaan ophouden.
Veel ernstiger zijn de zogenoemde salaamkrampen, dit is een vorm van epilepsie die optreedt vanaf de geboorte tot het 1-2e levensjaar. Vaak is sprake van hersenbeschadiging bij de geboorte. Deze aanvallen bestaan uit plotselinge stuiptrekkingen van hoofd met romp, gecombineerd met strekken van de ledematen, waarna alles slap neervalt. Ondanks een goede medische behandeling kunnen deze kinderen ernstig geestelijk gehandicapt worden en ontwikkelt zich vaak een spasticiteit.
Dit geldt ook voor het zogenoemde Lennox-syndroom. Dit is een vorm van epilepsie die kan optreden bij twee- tot vijfjarige kinderen met hersenbeschadiging. Aanvallen van spierschokken aan hoofd, schouders en armen worden afgewisseld met plotselinge slapte, waarbij het kind even valt of in elkaar zakt. Later ontstaan vaak gegeneraliseerde aanvallen.
Koortsstuipen zijn epileptische aanvallen bij kinderen van 6 maanden tot 4 jaar, die op kunnen treden wanneer de lichaamstemperatuur plotseling sterk stijgt (koorts). Deze stuipen kunnen zich tijdens een volgende koortsperiode herhalen. De kans dat zich bij kinderen met koortsstuipen later epilepsie ontwikkelt, is niet verhoogd.
De diagnose epilepsie wordt gesteld op grond van de kenmerkende verschijnselen en aan de hand van een elektro-encefalogram (EEG ofwel hersenfilm), dat bij de verschillende soorten aanvallen kenmerkende stoornissen laat zien.
Bij verdenking op een onderliggende aandoening wordt hier onderzoek naar gedaan. Soms kan deze behandeld worden.
Tijdens een aanval moet de patiënt zonodig tegen letsels worden beschermd. Probeer het slachtoffer zo neer te leggen dat hij zich niet aan meubels en dergelijke kan verwonden. Om te voorkomen dat een patiënt zich tijdens een epileptische aanval tot bloedens toe op de tong bijt, wordt vaak aangeraden iets tussen zijn tanden te stoppen.
Mensen die hiermee geen ervaring hebben, kunnen zo’n poging echter beter niet ondernemen, aangezien zij hierbij zelf ook letsels kunnen oplopen. De behandeling van epilepsie bestaat voornamelijk uit het toedienen van geneesmiddelen die het zenuwstelsel minder prikkelgevoelig maken. Het effect van de behandeling wisselt zeer per persoon. De epilepsiepatiënt kan het beste een regelmatig leven leiden om ook op deze manier overprikkeling van het zenuwstelsel en ontregeling te voorkomen.